Praten met je huisdier is een teken van hoge intelligentie

Praat jij wel eens tegen je huisdier, je plant of misschien je auto? Goed nieuws: het is niet gek en je wordt er slimmer van!

Veel mensen praten, bewust of onbewust, wel eens tegen een plant of bespreken de dag met hun huisdier. Als volwassenen wordt het soms gezien als iets geks of zelfs onnozels. Dat is het helemaal niet, volgens een onderzoek van wetenschapper Nicholas Epley van de Universiteit van Chicago. Dat we met onze huisdieren en planten praten is juist goed: dit helpt ons namelijk om ons empathisch vermogen te ontwikkelen en onze sociale intelligentie te trainen.  Je wordt er dus indirect slimmer van.

We ‘vermenselijken’ dieren of voorwerpen en dat heet antropomorfisme. Bij kinderen is antropomorfisme al sterk aanwezig, maar de ontwikkeling van onze sociale intelligentie gaat ook na onze jeugd gewoon door.Op het moment dat we geen sociaal contact hebben met andere mensen, bedenken we een sociale interactie met een dier of voorwerp. We zien bijvoorbeeld gezichten in voorwerpen, zoals in de knopen op een stoel of in de koplampen van een auto, en we geven onze auto een naam. We zijn daarmee de enige soort die dit kan.

Antropomorfisme is volgens Epley dus volkomen normaal en zelfs vergelijkbaar met een gesprek met een mens. Hoe vaker we communiceren met voorwerpen of huisdieren, hoe beter we in staat zijn om de intenties van andere mensen in te schatten. Het is dus een teken dat je brein goed functioneert. Het kan daarnaast helpen tegen een gevoel van eenzaamheid. Dus: je bent niet gek als je de dag doorspreekt met je hond of kat en het is juist goed om al je planten gedag zeggen. 

Bron(nen):