Het is 1 december 2025. Joost is een maand dood. Hij was op zijn verzoek in slaap gebracht om niet meer wakker te worden. In de uren daarvoor hielden we elkaars hand vast. Ik dankte hem voor zijn liefde voor mij. Hij dankte mij voor mijn liefde voor hem. Onze woorden waren een voorbode van het grote gemis dat zou komen.
Noraly Beyer is oud-nieuwslezeres schrijft en treedt op. In deze column schrijft ze over de dood van haar geliefde Joost Prinsen.
Joost was nog geen jaar weduwnaar toen hij contact met mij zocht. Kort voor haar dood had zijn vrouw gezegd dat hij binnen een half jaar een ander zou hebben. Hij had dat weggewuifd. Maar tien maanden later nodigde hij mij per brief uit voor een lichte lunch. Nietsvermoedend ging ik erop in. Pas tijdens het eten van een bisque van schaaldieren drong tot me door dat ik op een date zat.We praatten drie uur over ons leven en alles wat ons bezighield. Daarna bracht hij me naar huis. Onderweg stopte hij even en keerde terug met een bos zonnebloemen.
Bij het afscheid zocht hij mijn lippen, maar ik gaf hem een zoen op zijn wang. Terwijl ik hem uitzwaaide, wist ik al dat we samen verder zouden gaan.Het werden vijf jaren van onverwacht geluk dat maar af en toe beproefd werd door onze verschillen. Over tijd bijvoorbeeld, over de hoeveelheid suiker in een dessert dat hij van internet had geplukt. Of over een dagelijkse douche. Niet nodig vond hij. Volgens zijn moeder was hij altijd al een taddik geweest. In het begin wilden we weten of we bij elkaar konden blijven. Proefperiode werd de tijd tussen kerst en nieuwjaar bij hem thuis. Kort nadat het nieuwjaar was geweest schoof hij een stoel naar me toe en vroeg plechtig of ik verkering met hem wilde. Dat woord maakte me aan het lachen. Ik had het jaren niet gehoord; het kriebelde. Later zou ik vaker merken dat hij ervan opkeek als ik in de lach schoot om iets wat hij niet als grap bedoeld had. Zo vroeg hij me tijdens een vakantie op de straat langs het Meer van Genève ten dans. Bloedserieus draaide hij rond en stak zijn hand naar me uit.
Dat was voor mij zó grappig dat ik lachend in zijn armen liep.In die eerste tijd moest hij met het verlies van zijn vrouw leren leven, met wie hij vijftig jaar getrouwd was geweest. Tegelijk wilde hij ruimte geven aan zijn ontluikende liefde voor mij. Die combinatie bracht hem in een spagaat. Hij zocht steun bij wat hij een rouwmevrouw noemde: iemand die een half jaar lang wekelijks bij hem kwam om te luisteren naar zijn verhalen.Vijf jaar later. Het is weer kersttijd. Joost is er niet meer. Hoewel ik wist dat hij allang een bondje met de dood had gesloten, viel de rouw rauw op mijn dak. Mijn hoofd raakte vol van ronddwarrelende gedachten over begrip voor zijn dood, terwijl mijn hart overliep van verdriet.
Familie, vrienden, kennissen en velen die ik niet persoonlijk ken, maakten een rouwmevrouw voor mij overbodig. Ik ben opgevangen met een vloed aan troost, aan hartversterkers in de vorm van bezoekjes, telefoontjes, bloemen, kaarten, mails en berichten. Joost heeft zeker geweten hoezeer hij gemist zou worden.
Reactie toevoegen