Plasklachten: wat werkt wél en niet?

Uroloog en hoogleraar Chris Bangma legt uit

plasklachten
Getty Images

Twee derde van de mannelijke 50-plussers heeft al eens een prostaatonderzoek gehad bij de huisarts, blijkt uit een enquête onder het Pluslezerspanel van Plus Magazine. Uroloog en hoogleraar Chris Bangma, verbonden aan het Erasmus MC in Rotterdam, legt uit wat wel en wat niet werkt om prostaatkanker te voorkomen.

Hij wil er maar meteen duidelijk over zijn: prostaatkanker helemaal voorkomen door iets te doen of juist te laten, kan niemand. Maar met bijvoorbeeld een gezonde leefstijl kun je als man de kans dat eventuele beginnende prostaatkankercellen uitgroeien tot een serieus ­probleem wél verkleinen, aldus Chris Bangma.

“Wetenschappers hebben nog geen hard verband kunnen aan­tonen tussen specifiek een ongezonde leefstijl en prostaatkanker”, verduidelijkt hij. “Maar er is een overdaad aan bewijs dat overgewicht en onvoldoende bewegen in het algemeen de kans op het ontstaan van kanker vergroten.” Bangma houdt zich al meer dan dertig jaar bezig met het opsporen en behandelen van prostaatkanker en doet er ook veel wetenschappelijk onderzoek naar. “Kanker ontstaat als er iets misgaat bij het proces van celdeling”, legt hij uit. “Dat hoeft geen probleem te zijn, als het lichaam in staat is die foutjes zelf te repareren of als je door middel van je gedrag de groei van zulke kwaadaardige cellen kunt vertragen. Bij prostaatkanker is dat laatste extra relevant, omdat deze kankervorm zich meestal heel langzaam ontwikkelt. Vaak duurt het tientallen jaren voor een patiënt er iets van merkt. Dat geeft hem dus ook – een beetje – de mogelijkheid om dat proces te beïnvloeden. Ik zeg met nadruk een beetje, omdat kanker enorm ingewikkeld is. Bij het ontstaan en de uitgroei ervan spelen veel factoren een rol. Ook factoren die je zelf niét direct kunt beïnvloeden, zoals erfelijke aanleg.”

Zaadlozing

“Mannen die minstens 21 keer per maand een orgasme krijgen, hebben­ 33 procent minder kans op prostaatkanker”, kopten de kranten in 2017. Dat zou blijken uit onderzoek van de Amerikaanse Harvard-universiteit. Het idee erachter: bij het klaarkomen spoelen de leidingen­ als het ware door, waardoor er minder kankerverwekkende stoffen achterblijven. “Nog zo’n ­onderwerp dat de afgelopen decennia­ uitgebreid is onderzocht”, zegt Bangma. “Ik gun iedereen een fijn seksleven, maar hard bewijs ­ontbreekt. Dat zaadlozingen de prostaat reinigen, is zeker nooit ­aan­getoond.” En hoe zit het dan met sterilisatie, waarover ook veel ver­halen de ronde doen? “Daarvoor geldt hetzelfde”, aldus Bangma. “Er is geen bewijs dat een vasectomie, zoals een sterilisatie officieel heet, de kans op prostaatkanker verandert.”

Voeding

Voor de relatie tussen het nuttigen van rood vlees en prostaatkanker zijn volgens Bangma sterke aanwijzingen. Vandaar zijn advies aan mannen om het liefst helemaal geen rood vlees te eten of dat ­zoveel mogelijk te vermijden. Waarvan ze juist wél veel zouden moeten ­gebruiken, zijn rood­gekleurde groenten en vruchten, vooral tomaten.­ “Daarin zit een stofje, lycopeen, dat de groei van prostaat­kanker­cellen kan afremmen. Als dat wordt verhit, bijvoorbeeld bij het maken van tomaten­puree, verandert de chemische samenstelling waardoor het nog effectiever wordt. Ik raad mannen dus zeker aan minstens twee keer per week iets met gekookte tomaten te eten. Let wel: daarmee kun je het negatieve effect van bijvoorbeeld rood vlees of overgewicht niet opheffen.”Iets anders wat je vaak hoort, is dat veel zuivel gebruiken de kans op prostaatkanker vergroot. Bangma: “Afgelopen jaren is daar veel onderzoek naar gedaan. Op dit moment is er te weinig bewijs om hier een zinvol advies over te kunnen geven.”

‘Ik raad mannen aan minstens twee keer per week iets met gekookte tomaten te eten’

Bloed­onderzoek

Veel mannen vragen zich af of ze regelmatig de PSA-waarde in hun bloed moeten laten ­meten, en zo ja, vanaf welke leeftijd en hoe vaak. Helaas is daar volgens Bangma geen eenduidig antwoord op te ­geven. “Omdat veel verschillende risicofactoren een rol ­spelen bij prostaatkanker, kan die afweging voor iedereen anders uitpakken”, besluit hij. “Mijn advies: begin met je risico­ te berekenen op www.prostaatkanker.nl, een website van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Prostaat­kanker. Afhankelijk van de uitkomst krijg je daar zo nodig het advies om contact op te nemen met je huisarts. Die kan bepalen of vervolgonderzoek wenselijk is.”

Supplementen

Vanaf de jaren negentig is Bangma zelf onder andere ­betrokken geweest bij tal van grootschalige onderzoeken naar specifieke (voedings)stoffen die de groei van prostaatkanker zouden kunnen beïnvloeden. Denk aan de vitamines D en E en aan selenium. Maar buiten het laboratorium is (nog) niet bewezen dat het slikken van supplementen met deze stofjes prostaatkanker kan voorkomen of vertragen. Wat overigens niet wil zeggen dat ze niet nuttig kunnen zijn, aldus Bangma. “In het laboratorium is er wel ondersteuning voor dat deze stoffen de groei van prostaatkanker vertragen, maar dit is niet in grootschalig patiëntenonderzoek aangetoond. Wellicht is een andere combinatie van stoffen wel effectief en weten we dat gewoon nog niet. Met de kennis van nu raad ik het gebruik van supplementen niet aan, maar ik heb er ook geen medische bezwaren tegen. Hetzelfde geldt voor alternatieve middelen, zoals Prostafit en Prostaforce.”

Plasproblemen

Over plasproblemen als ­risicofactor voor prostaatkanker lijken de meningen uiteen te lopen. Volgens Thuisarts.nl zijn ze bijvoorbeeld geen alarmsignaal, volgens de Prostaat­kankerstichting wel. “Eigenlijk hebben ze allebei gelijk”, betuigt Bangma. “Op oudere leeftijd wordt de prostaat meestal groter. Deze vergroting is goed­aardig­ en heeft niets met ­kanker te maken. Een ­vergrote prostaat kan de plasbuis dichtdrukken, waardoor iemand plas­problemen krijgt. Maar ook: hoe groter de prostaat, hoe hoger de hoeveelheid PSA, het prostaatspecifieke antigeen dat we in het bloed meten om te beoordelen hoe gezond de prostaat is. Een – flink – verhoogd PSA leidt meestal tot vervolgonderzoek in het ziekenhuis. En hoe meer vervolgonderzoeken, hoe meer prostaatkanker we ontdekken. Voor de duidelijkheid: dat betekent dus niét dat er een verband is tussen plasklachten en prostaatkanker, maar dat bij mannen met dit soort problemen meer onderzoek naar prostaatkanker wordt gedaan. Bovendien is het goed te realiseren dat de meeste mannen prostaatkanker ontwikkelen, maar er niets van merken en ­overlijden aan iets anders: 80 procent van de mannen sterft met prostaatkanker, slechts 5 procent aan ­prostaatkanker.”

Erfelijkheid

Naar schatting tussen de 5 en 15 procent van alle gevallen van ­prostaatkanker is erfelijk bepaald. Bij mannen die vóór hun 55ste met de ziekte te maken krijgen, is dat zelfs 40 procent. “Eén naaste met prostaatkanker, zoals een oom, is niet direct reden voor zorg”, aldus Bangma. “Maar komt prostaatkanker vaker in de directe familie voor, bijvoorbeeld bij een broer, dan is het misschien goed om je als man periodiek te laten controleren. Bespreek dat met je huisarts. Die kan ook een inschatting ­maken van andere risicofactoren en zo tot een afgewogen advies komen.”Een relatief nieuw inzicht is dat er een relatie bestaat tussen een erfelijke vorm van borstkanker en prostaatkanker. “Vrouwen met een afwijking in het BRCA2-gen hebben 60 tot 80 procent kans om borstkanker te krijgen en een vergrote kans op eierstokkanker”, legt Bangma uit. “Inmiddels weten we dat mannen met diezelfde genafwijking óók een grotere kans hebben om prostaatkanker te ontwikkelen dan mannen zonder dat DNA-foutje, namelijk tussen de 15 en 25 procent. Dat lijkt overigens niet te gelden voor mannen met een ­afwijking in het BRCA1-gen.” Mogelijk is het zinvol om mannen met een ­BRCA2-mutatie vanaf 45 jaar eens in de twee jaar op prostaatkanker te gaan screenen. Urologen, ­genetici en belangenorganisaties praten daar momenteel over.

Auteur 
  • Marte van Santen