Griep: hoe voorkom je besmetting?

In de koude maanden vallen we massaal ten prooi aan griep en verkoudheid. Welke virussen, bacteriën en schimmels hebben het op u gemunt? En hoe zorg je ervoor dat je niet besmet raakt?

Tijdens het hoesten hield die snotterende voorbijganger keurig een hand voor z’n mond. Maar daarna pakte hij wél de deurknop van de winkel vast – dezelfde deur die u even later ook opende. En wat te denken van de collega op kantoor die precies boven uw bureau moest niezen? Alles wat erop ligt, is nu besmet. Hoest of niest een zieke, dan is één enkel deeltje uit de ‘spray’ die hij verspreidt, genoeg om je ziek te maken.

Geduldige virussen
Virussen hebben niet veel nodig. Ze ‘leven’ niet eens: ze nemen geen voedsel in en hebben geen energie nodig om zich te vermenigvuldigen. Virussen bestaan uit een stukje erfelijk materiaal dat verpakt is in een manteltje van eiwit. Het enige wat een virus doet, is zich aan een lichaamscel van een gastheer hechten en die cel opdracht geven om nieuwe virussen te gaan maken. Virussen hebben veel geduld. Weken, maanden, soms zelfs jaren nadat ze hun vorige gastheer hebben verlaten, kunnen ze weer iemand belagen.

Als een verkoudheidsvirus een cel besmet in bijvoorbeeld ­iemands neusslijmvlies, zit die cel al snel zo vol virusdeeltjes dat hij stukgaat. Duizenden virussen zwermen dan uit om andere cellen te besmetten.

Dat gaat zo een paar dagen door, tot het immuun­systeem een geschikte antistof heeft samengesteld en die in grote hoeveelheden gaat maken. De antistof plakt vast aan de virussen en zorgt ervoor dat die niet meer besmettelijk zijn; niet voor je eigen cellen, en ook niet voor die van anderen. Maar tot die tijd heeft de zieke wel al heel veel gesnotterd en gehoest, en overal het virus ­verspreid.

Griepprik helpt
Veel antistoffen bieden levenslange bescherming, maar antistoffen tegen bijvoorbeeld gewone verkoudheid zijn vaak al na anderhalf jaar niet meer in het lichaam te vinden. Bovendien zijn er honderden soorten verkoudheidsvirussen in omloop. Daardoor worden we ons leven lang gemiddeld twee keer per jaar verkouden.

De antistoffen tegen griepvirussen blijven wel lang bestaan, maar griepvirussen veranderen elk jaar van vorm. Daardoor ‘passen’ de bestaande antistoffen niet meer en kunt u opnieuw ziek worden van de griep. De griepprik wordt daarom ieder jaar aangepast aan de virussen die waarschijnlijk het vaakst gaan toeslaan. Die griepprik garandeert overigens geen ziektevrije winter.

Het vaccin beschermt niet voor 100% omdat er veel meer virussen rondwaren waar je ‘griepjes’ van kunt krijgen. Vooral bij ouderen is de griepprik minder effectief. Toch is vaccineren juist bij hen wél de moeite waard. Ouderen krijgen door griep ­namelijk vaker complicaties, zoals longontsteking. De griepprik vermindert de kans op complicaties met maar liefst 80 procent.

Bacteriën houden van mensen
Virussen zijn niet de enige indringers die u ziek kunnen maken. Ook bacteriën en schimmels beschouwen ons lichaam als een omgeving waar het aangenaam toeven is.

Schimmels zijn heel zelfstandig. Ze leven in de aarde, op een oud broodje, of in de biobak. Er zijn maar weinig schimmels die goed gedijen op het menselijk lichaam. De schimmels die ons wel ziek kunnen maken, veroorzaken voornamelijk huidinfecties, zoals roos en voetschimmel. Bij mensen met een ernstig verzwakt immuunsysteem (bijvoorbeeld door chemotherapie) kunnen schimmels ook in organen of in het bloed groeien

Dan de bacteriën. Ze zijn onmisbaar voor ons bestaan. Ieder mens draagt in de darmen en op de huid zo’n twee kilo bacteriën mee. Slechts een enkele bacterie is een ziekteverwekker. En áls iemand ziek wordt van een bacterie, dan had diegene vaak al een ander probleem. Bijvoorbeeld een wond (met als gevolg een bacteriële wondinfectie) of griep (het griepvirus beschadigt de slijmvliezen; daardoor kunnen bacteriën zich makkelijk aan de slijmvliezen hechten).

Kun je door één virus al geveld worden, van bacteriën moet je er vaak flink wat binnenkrijgen voordat je ziek wordt. Goede hygiëne (handen wassen, toilet schoonhouden) en verstandig omgaan met voedsel beschermt dan ook beter tegen bacteriële infecties dan tegen virale infecties.

Afweer tegen ziektes
Ziekteverwekkers krijgen alleen vat op ons als ze ín ons lichaam terechtkomen. De eerste barrière tegen infecties vormt de huid. Die is een beetje vettig en er leven onschadelijke bacteriën op die alle lekkere hapjes voor eventuele ziekmakende bacteriën en schimmels opeten.

Hetzelfde regime heerst in de darm, waar ‘goede’ bacteriën het voedsel voor de neus van de ‘kwade’ wegkapen. Goede bacteriën moet je koesteren. Je dagelijks van top tot teen wassen met een des­infecterende zeep is bijvoorbeeld vragen om huidinfecties. En een ‘antibioticakuurtje’ helpt niet alleen de ziekmakende bacteriën om zeep, maar ook veel goede bacteriën in de darmen.

Onze lichaamsopeningen zijn bovendien beschermd door een voortdurende ‘stroom naar buiten’. Veel van die uitscheidingsproducten bevatten antistoffen en antibacteriële enzymen. Zo maakt de stof ­lysozym in tranen bacteriën stuk. En het slijmvlies van de vagina is door bepaalde bacteriën zo zuur dat ongezonde bacteriën en schimmels in dat milieu slecht kunnen overleven. Ook de luchtwegen hebben een ingenieus systeem: ze produceren slijm waar ­ziekteverwekkers en viezigheid uit de lucht aan blijven plakken.

Dat slijm wordt door trilhaartjes naar buiten geveegd. Komt het in je keel, dan slik je het door. En in de maag, tot slot, ­vernietigen het maagzuur en allerlei spijsverteringsenzymen de meeste binnendringers.

Infectie en ontsteking
Maar deze barrières zijn niet feilloos. Als er toch een ziekmaker binnendringt, reageert het lichaam met een ontstekingsreactie. Dat is een regelrecht slagveld. Cellen die besmet zijn met een virus worden herkend door speciale immuuncellen, die de besmette cel met virus en al vernietigen. Hierbij komen stoffen vrij die de pijnzenuwen prikkelen; vandaar dat je keel pijn doet bij een flinke verkoudheid. De restanten van de vernietigde cellen moeten worden opgeruimd. Maar cellen die zijn beschadigd, vormen weer een lekker hapje voor bacteriën.

Er komt dus altijd in meer of mindere mate een bacteriële infectie overheen. Voor het bestrijden van die bacteriën zijn weer andere afweer­cellen nodig, en zo ontstaat een nog groter slagveld met nog meer rommel. Bloedvaten gaan openstaan om cellen die de infectie bestrijden te kunnen aanvoeren, en afbraakproducten af te voeren. De boel wordt rood en gezwollen.

De pijn die dat veroorzaakt, is een nuttig bijverschijnsel: wie ruw omgaat met ontstoken weefsels beschadigt ze extra. Ziekteverwekkers zouden dan de kans krijgen om in het bloed te komen en zich zo verder te verspreiden. Voor het voeren van de oorlog zijn een heleboel eiwitten nodig. Die haalt het lichaam niet zo snel uit voedsel, dus breek je er spierweefsel voor af. Daarom krijg je bij griep of een gemene verkoudheid vaak spierpijn. De strijd houdt pas op zodra andere cellen een antistof hebben gevormd. Dan stopt de infectie vanzelf.

Sommige mensen denken dat je maar beter geen pijnstiller kunt slikken, omdat je anders het lichaam z’n werk niet laat doen. Maar pijn bestrijden met paracetamol, aspirine of ibuprofen, of het onderdrukken van hoest met ­codeïne of dextromethorfan, is niet van invloed op dit hele proces. Uit principe niets ­willen slikken, is zinloze zelfkwelling.

Hoe voorkom je besmetting?
Helemaal voorkomen dat u ziek wordt, is onmogelijk. Maar u kunt wel iets doen om de kans op besmetting met een virus, bacterie of schimmel te verkleinen.

  • Was de handen De kans op besmetting door zowel virussen als bacteriën kunt u verkleinen door vaak uw handen te wassen, niet aan uw gezicht te komen en een beetje infectiebewust na te denken (wie hebben allemaal aan dat tijdschrift gezeten in de wachtkamer van de dokter?).
  • Let op broeinesten ­Virale infecties zijn vaak veel besmettelijker dan bacteriële infecties. Een virus is er namelijk alléén maar op uit om te besmetten, terwijl een bacterie een opportunist is die toeslaat als u hem ‘uitnodigt’. Dat betekent dat we sterker staan tegenover de bacterie als we mogelijke broeinesten schoonhouden. Poets dus bijvoorbeeld het gebit ook op moeilijke plekjes, tegen ontstoken tandvlees.
  • Bescherm anderen Net zomin als u helemaal kunt voorkomen dat u zelf ziek wordt, kunt u ook niet helemaal voorkomen dat u anderen aansteekt. U bent namelijk al besmettelijk voordat u klachten krijgt. Maar wanneer houdt het op? Voor virusinfecties geldt: zolang u last hebt van snotteren, hoesten, diarree, braken of koorts scheidt u virus uit en bent u besmettelijk. Beginnende (buik)griep of verkoudheid is reden om thuis te blijven; echt ziek zijn ook. Bent u aan de beterende hand, dan zijn er antistoffen in omloop en komt er geen virus meer vrij. De strijd is gestreden, al hebt u nog wel last van de schade.

Hoe kleiner, hoe ­besmettelijker?
Kinderen zijn vaker ziek dan volwassenen. Dat komt doordat ze nog weinig ­immuniteit hebben ­opgebouwd tegen ­infecties. Ze worden bij wijze van spreken ziek van alles wat langs komt, ­terwijl de meeste ­virussen en bacteriën op volwassenen al geen grip meer hebben. De kans dat u ziek wordt van een ziek kind is dus kleiner dan de kans dat u ziek wordt van een andere volwassene.

Wel of niet aangestoken?
Bent u op bezoek geweest bij een grieperig persoon, dan weet u meestal binnen drie dagen of u bent ‘aangestoken’. Dat is de incubatietijd voor griep en de meeste verkoudheden.

1 Reactie

Door Lekkere_lady14 (niet gecontroleerd) op zo, 21-2-2016 - 21:50

Help, ik woon praktisch samen met mijn partner en ik loop de hele dag te snotteren. Hoe groot is de kans dat ik hem besmet? Is samen slapen een no-go?

Kusjes van Truus