Uitvoeringskosten lopen in de tientallen miljoenen
Het aantal ouderen met een onvolledige AOW groeit de komende jaren sterk. Daarmee stijgt ook het aantal huishoudens dat is aangewezen op de AIO-aanvulling, het vangnet voor wie met een gekorte AOW onder het sociaal minimum dreigt te komen. En juist deze regeling is in de uitvoering vele malen duurder dan de ‘gewone’ AOW.
Dat blijkt uit cijfers van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Volgens de meest recente schattingen stijgt het aantal AIO-huishoudens richting 2040 naar 94.000. De totale AOW-bevolking bestaat dan naar verwachting uit 4,6 miljoen mensen. Nu ontvangen ruim 62.000 mensen een AIO.
Waarom krijgen steeds meer mensen een onvolledige AOW?
Iedereen die in de 50 jaar vóór de AOW-leeftijd in Nederland woont of werkt, bouwt 2 procent AOW per jaar op. Wie enkele jaren in het buitenland woonde of werkte, of pas op latere leeftijd naar Nederland verhuisde, mist opbouwjaren en dat leidt tot een korting op de AOW-uitkering. Door arbeidsmigratie, internationalisering en het feit dat mensen vaker een periode in het buitenland wonen of werken, neemt het aantal mensen met een onvolledige opbouw toe.
Voor ouderen met weinig aanvullend pensioen of spaargeld kan dat betekenen dat ze ná de AOW-leeftijd onder de bijstandsgrens terecht komen. In dat geval kunnen ze mogelijk een beroep doen op de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO).
Wat is de AIO precies?
De AIO is een inkomens- en vermogensafhankelijke aanvulling tot het sociaal minimum. De regeling lijkt in veel opzichten op de bijstand:
- Er geldt een vermogenstoets
- Er wordt gekeken naar de leefvorm (alleenstaand of samenwonend)
- Veranderingen in inkomen of woonsituatie moeten worden doorgegeven en worden gekort.
- Je moet in Nederland wonen om AIO te kunnen ontvangen. Wie structureel in het buitenland woont, komt niet in aanmerking.
AIO-uitvoering: 12 keer zo duur
Volgens het SUWI-jaarverslag 2024 bedragen de uitvoeringskosten per klant:
AOW: € 60 per jaar
AIO: € 742 per jaar
Dat betekent dat de AIO-uitvoering ruim twaalf keer zo duur is als die van een reguliere AOW-uitkering. In totaal kost de uitvoering van deze regeling nu zo'n 46 miljoen euro per jaar. in 2040 zal dat meer dan 70 miljoen euro zijn.
Hoe komen deze verschillen?
De AOW is grotendeels een gestandaardiseerde volksverzekering: als de opbouw eenmaal is vastgesteld, loopt de uitkering relatief automatisch door. De AIO vraagt voortdurende controle op inkomen, vermogen en huishoudsituatie. Elke wijziging – bijvoorbeeld samenwonen, extra spaargeld of tijdelijk verblijf in het buitenland – kan gevolgen hebben voor de hoogte van de uitkering. Dat maakt de regeling arbeidsintensiever en complexer in uitvoering.
Oproep tot vereenvoudiging van regels
De SVB waarschuwt dat de combinatie van vergrijzing, internationalisering en complexe regelgeving de uitvoering steeds zwaarder maakt. Zonder ingrijpende vereenvoudiging neemt de foutgevoeligheid toe en wordt het moeilijker om tijdig vast te stellen waar iemand recht op heeft. En dat maakt de uitvoering duurder. De uitvoerder pleit daarom onder meer voor vereenvoudiging van het AOW-leefvormenstelsel (bijvoorbeeld door een objectiever partnerbegrip). Vooral de vraag of AOW'ers (en AIO'ers) samenwonen is soms lastig te beantwoorden. Controle is duur.
In het regeerakkoord van het nieuwe kabinet wordt inderdaad gesproken over vereenvoudiging van het fiscale en sociale zekerheidsstelsel. De SVB noemt dat een positieve ontwikkeling, maar concrete uitwerking moet nog volgen.