Voetballen in wandeltempo

José van de Ven (66) 'In één jaar tijd heb ik maar één training gemist'

Walking football is populair onder 55-plussers. Inmiddels spelen zo’n zesduizend ouderen bij meer dan driehonderd clubs deze variant op het voetbalspel. De regels: zes tegen zes, zonder keeper, waarbij rennen en lichamelijk contact verboden is. Goed voor de sociale contacten én gezond. Ervaringsdeskundigen vertellen hun verhaal.

Je had me vorig jaar aan tafel moeten zien zitten; ik was een dood musje. Het begon met een griepje dat maar niet overging en uiteindelijk lag ik op de intensive care met een zware longontsteking. Ook daarna bleef ik maar vermoeid. Mijn longarts kwam erachter dat door al die antibiotica mijn afweersysteem niet meer goed werkte, waardoor virussen en bacteriën min of meer vrij spel kregen. Ze schreef een kuur van zes weken voor, wat meteen aansloeg.

Omdat mijn conditie helemaal weg was, vond ik het belangrijk om meer te gaan bewegen. Als tiener had ik al gevoetbald en ik zag in een blaadje een oproep voor walking football bij een club hier in de buurt. Ik vond het meteen hartstikke leuk en heb in een jaar tijd maar één training gemist, omdat ik op vakantie was. Mijn longarts schrok zich rot toen ik weer op controle kwam, zo sterk waren mijn waarden veranderd. In positieve zin. Ze zei dat buiten sporten het beste was wat ik had ­kunnen doen. Geweldig toch?

We hebben een leuke groep met twintig mannen en vijf vrouwen. Omdat fysiek contact en rennen verboden is, maakt het niet uit of er een man of vrouw tegenover je staat. Onze ­trainers verzinnen ook steeds nieuwe oefeningen, die niet eens allemaal met voetbal te maken hebben. We krijgen een totaalpakket aan oefe- ningen. Die afwisseling maakt het nog leuker. Ik doe ook aan fitness, maar omdat je daar steeds hetzelfde doet, wordt het een beetje saai.”


Richard de Ruiter (66) ‘--Ik krijg er heel veel energie van, fysiek en mentaal’

Een half jaar geleden voelde ik me ’s avonds niet zo lekker en de volgende dag begon ik bij een afspraak wartaal uit te kramen. Toen bleek ik een tia te hebben. Ik had geluk dat mijn motoriek verder niet werd aangetast. Het gaat nu redelijk goed; ik kan alleen af en toe niet op een woord ­komen en raak overprikkeld in een ruimte met veel geluiden.

Mijn arts adviseerde me om vooral te blijven sporten. Ik denk zelfs dat de schade meeviel omdat ik vrij sportief ben. Ik deed al sinds een jaar aan walking football en kon dat gewoon blijven doen na de tia. Tot mijn 49ste voetbalde ik in de zaal, deed ik aan mountainbiken en tennis. Omdat ik last van mijn nek kreeg, moest ik daarmee stoppen. Ik ben lasser en door mijn werk waren mijn tussenwervels ver­sleten.

Ik ben daarna onder meer gaan schaatsen. Via een vriend kwam ik bij walking football terecht. Omdat het er minder fel aan toe gaat dan normaal voetbal, kan mijn nek het goed aan. Ik krijg er juist heel veel energie van. Fysiek, maar ook mentaal, vanwege het sociale aspect.

We zijn soms net een theekransje, appen tot twee uur ’s nachts. Ik kan nu niet vaak meedoen aan de doordeweekse toernooien, omdat ik dan moet werken. Volgend jaar ga ik met pensioen. Mijn vrouw vindt het prima als ik dan meer ga voetballen, zolang ik maar thuis ben als de kleinkinderen komen logeren.”


Dolf Titaley (71) ‘Mijn arts was verbaasd dat mijn conditie zo vooruit was gegaan’

Op mijn 50ste kreeg ik een hartinfarct; toen ben ik gestopt met voetballen. Totdat ik vorig jaar een telefoontje kreeg van een oud-teamgenoot, Joop Kols, die bezig was om walking-footballteams op te richten in Molukse wijken. Hij vond het echt iets voor mij om te proberen.

Ik vond het spannend om mijn voetbalschoenen weer aan te doen. Ik heb diabetes type 2 en mijn nieren werken nog maar voor 10 procent. Na de eerste training was ik om: ik kon misschien niet met ­alles meedoen, maar het voelde als vertrouwd. Ik had meteen weer een klik met de mannen die ik twintig jaar niet had gezien. Na zes weken kwam ik terug bij mijn arts en hij was verbaasd dat mijn conditie zo vooruit was gegaan. Ik voel me echt een stuk beter dan een jaar geleden.

Ik doe graag mee aan toernooien, maar niet meer dan één per week. Anders lig ik, zo weet ik uit ervaring, een paar dagen total loss op de bank. Als Joop een clinic geeft in een Molukse wijk, probeer ik er ook bij te zijn. Molukse ouderen blijven te veel thuis zitten, zeggen al snel dat ze niet kunnen sporten. Ook al zijn ze verder gezond. Als ze anderen bezig zien, willen ze toch meedoen. Natuurlijk kunnen ze sporten. Als ik het kan, kunnen zij het ook.”

Bron(nen):